ASK logo

De ‘eerste’ Amsterdamse kring van Spinoza

Aan het einde van de negentiende eeuw introduceerde de Zwolse gymnasiumleraar Koenraad Meinsma in zijn Spinoza en zijn kring, historisch-kritisch studiën over Hollandsche vrijgeesten het begrip de kring van Spinoza. In dit boek ondergraaft Meinsma de romantische mythe van Spinoza als een eenzame profeet. Hij toont aan dat Spinoza met veel vrijgeesten en radicale protestanten omging. Vrijgeesten of libertijnen hebben door de eindeloze godsdiensttwisten sinds de 16e eeuw hun christelijk geloof verloren, terwijl de radicale ‘linker’ vleugel van het protestantisme niets meer met de kerk van doen wilde hebben en alleen op het licht van de rede en de geest meende te kunnen vertrouwen. Meinsma’s overtuiging dat Spinoza deel uit maakte van een groep van gelijkgezinde vrijdenkers is niet nieuw. Pierre Bayle noemt als reden in zijn befaamde Dictionaire historique et critique (1697) bijvoorbeeld al dat Spinoza Amsterdam verliet vanwege de verstoring van zijn rust door het te veelvuldige bezoek van zijn vrienden. Op het platteland kon hij rustig nadenken en lenzen slijpen. Hij noemt de Amsterdamse koopman Jarigh Jelles (†1681) en de lexograaf en toneelschrijver Lodewijk Meijer (1629-1681), als zijn vrienden en volgelingen, die hem hielpen met de uitgave van zijn geschriften en na zijn dood zorgden zij voor de publicatie van de Opera posthuma. In tegenstelling tot zijn voorgangers beschikte Meinsma echter over een belangrijk nieuw gegeven, dat hem in staat stelde het begrip ‘kring’ te introduceren. In de eerste brief aan Spinoza van Simon de Vries (1633-1667), een Amsterdamse doopsgezindse koopman waarvan het origineel in de loop van de 19e eeuw in het archief van het doopsgezinde weeshuis de Oranje-appel ontdekt werd, vindt men de beschrijving van een collegium (studiekring) van de Amsterdamse vrienden rond Spinoza’s manuscripten.

Radicale protestanten waren doopsgezinden, dat wil zeggen gelovigen die nooit tot de heersende gereformeerde kerk gehoord hebben en arminianen, die daaruit waren gestoten. Spinoza moet hen als handelaar op de beurs ontmoet hebben. De omgang met deze mensen versterkte Spinoza’s neiging tot vrijdenken en het onderzoeken van overgeleverde schijnzekerheden. Na zijn verbanning uit de joodse gemeenschap op 27 juli 1656 ging Spinoza daarom als vanzelfsprekend naar de Latijnse School van Fransciscus van den Enden, die hem inleidde in de wereld van de klassieken en het cartesianisme. Als humanist stak hij net als de klassieke satyricus Lucianus de draak met alle mythologie in godsdienst filosofie en politiek. Spinoza liet de schoolmeester van de Enden kennis maken met het pantheïsme van de renaissance. Op deze school werd ook de levenslange vriendschapsband gesmeed met Lodewijk Meijer en Adriaan Koerbagh. Andere centrale figuren uit Spinoza’s Amsterdamse omgeving zijn de doopsgezinde koopman Pieter Balling, die Spinoza’s commentaar op de Descartes’ Principia van de filosofie in het Nederlands vertaalde en de toneelschrijver Johannes Bouwmeester (1630-1680), die een Arabische filosofische roman over hoe de mens zonder openbaring en godsdienstige traditie door de rede tot zelfkennis kan komen uit het Latijn in het Nederlands vertaalde.

Het woord ‘kring’ suggereert ten onrechte een bepaalde organisatorische structuur en gezamenlijke bijeenkomsten, maar het is onwaarschijnlijk dat de bewonderaars van Spinoza allemaal elkaar ontmoet hebben. Sommigen kenden elkaar van de universiteit en anderen zullen elkaar bij vergaderingen van Amsterdamse ‘dissenters’ hebben ontmoet, maar behalve de contacten met Spinoza bond hen intellectueel alleen de interesse voor Descartes. Verder vormden zij een emancipatie-beweging. Zij beschikten allen over een grote ‘brutaliteit’, waarmee zij de overheid het recht betwistten om over de godsdienst te oordelen. Men vond dat de burgers daar zelf mans genoeg voor waren. Het is dan ook niet verwonderlijk dat tussen de leden van Spinoza’s kring grote verschillen bestaan. Sommige van de eerste vrienden en bewonderaars van Spinoza waren doopsgezinde kooplieden met geen of weinig filosofische scholing. Zij probeerden strikt volgens het evangelie te leven en wezen alles af wat volgens hen niet op de bijbel was gebaseerd.

Hier staan de academici tegenover, die rond het midden van de jaren vijftig in Leiden studeerden en actief waren in het literaire leven in de hoofdstad. Zulke vrienden waren Lodewijk Meijer en de gebroeders Koerbagh. Zij zouden zich aan God noch gebod hebben gestoord. Lang is gedacht dat een dergelijk libertinisme in de Republiek nauwelijks aanhang heeft gevonden. De laatste jaren is echter gewezen op de Haagse arts en advocaat Eric Walten (1663-1697). Hij bekende in zijn verhoren na zijn arrestatie ervan overtuigd te zijn dat de stichters van de drie wereldgodsdiensten – Mozes, Jezus en Mohammed – bedriegers waren en dat de Gereformeerde Kerk louter een ‘sottenhuys, of een gasthuys van de gekken’ was. Vroeger had hij nog geloofd wat hij in de kerk hoorde, maar nu luisterde hij alleen nog naar de stem van de eigen rede. De bijbelse figuren waren in moreel opzicht volstrekt verwerpelijk: Jesaja was een dronkaard en Jobs enige excuus voor zijn praatjes was dat hij helemaal niet bestaan had.

Adriaen Koerbagh (1632-1669)

Spinoza is zich er terdege bewust van geweest dat de publicatie van zijn ideeën nare gevolgen voor de drukker en hemzelf konden hebben, aangezien in de Republiek het drukken en verspreiden van ‘sociniaanse boeken’ verboden was. Hij was daarom voorzichtig en geduldig. Heel anders ligt dat bij zijn goede vriend, de arts, jurist en filosoof, Adriaen Koerbagh, die onder eigen naam een radicaal boek liet verschijnen en door de Amsterdamse autoriteiten streng werd bestraft. Net als Lodewijk Meyer maakte Adriaen woordenboeken en vertalingen om wetenschap en filosofie toegankelijk te maken voor hen die geen Latijn kenden. Zo zou iedereen die dat wilde in staat gesteld worden om zelf te denken en op basis van de nieuwe wetenschap zijn gelijk in de wereld te vinden.

Adriaen werd in 1633 in Amsterdam geboren. Zijn vader, die eigenaar was van een aardewerk bakkerij, stierf al vroeg, maar liet zijn kinderen een aanzienlijk vermogen na. In 1653 gingen de broers in Leiden studeren - Adriaan geneeskunde en rechten, Johannes theologie. In 1659 behaalde Adriaan zijn doctoraat in de geneeskunde en in 1661 zijn doctoraat in de rechtswetenschappen. Johannes behaalde in 1662 zijn doctoraat in de theologie. In Leiden raakten zij bevriend met Lodewijk Meijer en Johannes Bouwmeester. De problemen van de broers beginnen als Johannes wil worden toegelaten tot het predikantschap. De Amsterdamse gereformeerde kerkenraad constateerde dat Johannes niet alleen de leer van de Drieëenheid afwees maar, net als Spinoza, ook de schepping en het onderscheid tussen God en de wereld. ‘Alle geschapen dingen zijn geen dingen, maar modificaties van het zijnde’ staat in de notulen van de kerkeraad. Daarbij kwam dat Adriaen samen leefde met een meisje met wie hij een onwettig kind had. Adriaen schreef in 1664 't Nieuw Woorden-Boeck der Regten, waarin hij het jargon dat juristen gebruiken om gewone mensen een rad voor de ogen te draaien uitlegt. In 1668 doet hij in een tweede woordenboek Een Bloemhof van allerley lieflijkheyd een verdere aanval op de kaste van ‘professionals’; in dit geval de theologen. Hun gezag is alleen gebaseerd op mystificaties. Het woord bijbel bijvoorbeeld betekent alleen boek, net als Reintje de Vos en ‘engel’ is alleen een boodschapper, zo legt Adriaen de lezer uit, terwijl Christus betekent dat een mens is onderscheiden met een bepaald zalfje. Vermoedelijk zouden de geestelijken het als een grote zonde beschouwen, wanneer zij de moeite namen alles in t Nederlands te vertalen. Zij vrezen dat de gewone man dan te geleerd zou worden!' (uit: Bloemhof). Adriaen blijkt de schrijver te zijn en de meest aanstootgevende passages worden voorgelezen aan de burgemeesters van Amsterdam, die het boek onmiddellijk verbieden en alle exemplaren in beslag laten nemen. Adriaen vlucht naar ‘vrijstad’ Culemborg, waar hij onderduikt. De autoriteiten zijn verontrust door de provocatie van hun gezag door dit in het Nederlands uitgegeven boek.

Adriaen liet zich niet afschrikken en in het zelfde jaar bracht hij het manuscript van Een Ligt schynende in duystere plaatsen, om te verligten de voornaamste saaken der Godsgeleerdtheyd en Godsdienst naar de drukker. Het bevatte een systematische aanval op het christendom dat hij als onredelijk aan de kaak stelt. De godsdienst hangt in die tijd sterk samen met het geloof in wonderen. In het voetspoor van Spinoza toont hij aan dat wonderen in strijd zijn met de - goddelijke - natuurwetten en daarom een illusie. De drukker gaat met het zetten niet verder dan tot pagina 176, want geschrokken door de inhoud verraadt hij Adriaen aan de Amsterdamse autoriteiten. Zij loven een beloning uit en arresteren hem in Leiden. Adriaen bekent de schrijver van een Bloemhof en Een light te zijn en ook Spinoza te kennen. Johannes wordt bij gebrek aan bewijs vrijgelaten, maar Adriaen wordt veroordeeld tot tien jaar rasphuis en verbanning uit Holland. Na enkele maanden is hij gebroken. Verzwakt sterft hij in 1669.

De terechtstelling van Adriaen moet Spinoza diep geraakt hebben, maar niets daarover is terug te vinden in zijn werk. Adriaen Koerbagh was een martelaar van het vrije woord en een strijder voor de radicale Verlichting.

Voor wie meer over Koerbaghs kleurrijke leven en ideeën wil lezen zie: Bart Leeuwenburgh, Het noodlot van een ketter - Adriaan Koerbagh (1633-1669) Vantilt, Nijmegen, 2013.

 

 

 

 

Amsterdamse Spinoza Kring • Sint Antoniesbreestraat 69 • 1011 HB Amsterdam • 06 - 43.49.89.15 • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.