Spinoza's biografie

'In een vrij staatsbestel is het een ieder toegestaan te denken wat hij wil en te zeggen wat hij denkt.'

Spinoza

 

Bento (Hebreeuwse naam: Baruch) de Spinoza werd in 1632, tijdens de 'Gouden Eeuw', geboren in Amsterdam, in de buurt Vlooienburg, als zoon van van Michael d'Espinosa en Hanna Debora d'Espinosa. Michael was geboren in Vidigueira in Portugal en had vanwege de druk van de Inquisitie Portugal verlaten, ook al was zijn familie officieel tot het christendom overgegaan. Via Nantes kwam de familie d'Espinosa in Amsterdam terecht, waar een ze de vrijheid hadden om tot het jodendom terug te keren. Vanaf de jaren '20 dreef zijn Michael vanuit Amsterdam handel met het Middellandse Zeegebied, in zuidvruchten en misschien ook koloniale waren (suiker, Braziliaans hout, gember). Hij was een gerespecteerd en succesvol zakenman en vervulde verschillende malen bestuursfuncties binnen de joodse gemeenschap. Bento en zijn oudere broer Isaac bezoeken de joodse lagere school Ets Haim op de Houtgracht, waar Hebreeuws leren en de Torah (Joodse Bijbel, overeenkomend met het Oude Testament) bestuderen. Hoelang Bento daarop gezeten heeft is onbekend, maar het is onwaarschijnlijk dat hij voor rabbijn heeft geleerd, zoals men vroeger wel dacht. De familie huurde in deze tijd een niet onaanzienlijk huis aan de Houtgracht (tegewoordig Waterlooplein) dicht bij waar nu de Mozes en Aaronkerk staat. Vanaf zijn veertiende ontbreekt zijn naam in de inschrijvingen, waarschijnlijk ging hij in de zaak werken. Nadat zijn vader en oudere broer waren overleden, nam Bento vanaf 1654 de handel over samen met zijn jongere broer, onder de naam Bento y Gabriel d'Espinosa. De broers krijgen te maken met schuldeisers, omdat hun vader garant had gestaan voor leningen die niet waren terugbetaald. Spinoza maakt gebruik van van het Hollandse recht om aan deze schulden te ontsnappen door zich minderjarig, en dus niet aansprakelijk, te laten verklaren. Volgens het joodse recht was hij als oudste zoon na het overlijden van zijn vader wel aansprakelijk. In 1656 wordt Spinoza verbannen uit de joodse gemeenschap, mogelijk vanwege deze juridische kwestie en mogelijk vanwege zijn opvattingen. Via de beurs was Spinoza met vrijdenkende christenen in contact gekomen, zoals Jarig Jelles, met wie hij zijn leven lang bevriend zou blijven. In deze kringen maakte Spinoza kennis met de filosofie van Descartes. Over Spinoza's precieze opvatttingen ten tijde van de ban weten we niets zeker, maar volgens contacten van de Inquistie geloofde Spinoza eind jaren '50 dat God alleen in filosofische zin bestaat, dat de ziel vergaat met het lichaam, en dat de joodse wet niet langer geldig is. Wat de oorzaken van de ban ook waren, de gevolgen van de ban waren dramatisch. Het betekende een definitieve breuk met de joodse gemeenschap en ook zijn familie, die geen contact meer met hem mocht hebben. Spinoza heeft niet van de mogelijkheden om boete te doen en terug te keren gebruik gemaakt en zich, voor zover we weten ook nooit bij een andere geloofsgemeenschap aangesloten. 

In de beurs had Spinoza Amsterdamse 'vrijdenkers' van allerlei pluimage ontmoet. Zij brachten hem in contact met de verhitte religieuze en intellectuele discussies die in die tijd, door de opkomende natuurwetenschap en strijd tussen religieuze groeperingen. De Fransman René Descartes (1596-1650) was rond 1620, vanwege het vrije intellectuele klimaat en de Amsterdamse uitgeverijen, naar Nederland gekomen. Zijn filosofie vormde een alternatief voor het traditionele Aristotelische wereldbeeld, dat met de christelijke theologie vervlochten was geraakt en kwam in conflict met de traditionele lezing van de Bijbel, op grond waarvan de zon om de aarde draait. Dit conflict lag ook ten grondslag aan de geruchtmakende veroordeling van Galilei in 1633. Begin 1656 ontvangt de synode van Zuid-Holland een klacht over cartesiaanse 'beledigingen' aan het adres van de bijbel. Een groot aantal dominees vond dat het 'beledigen' van de heilige schrift nu algemene praktijk geworden was en in het bijzonder in Leiden. Een kopie van deze klacht werd naar de Staten van Holland gestuurd en gepresenteerd aan de curatoren van de universiteit, die uiteindelijk de senaat benaderde. De Nederlandse universiteiten staan hoog aangeschreven en veel studenten uit Duitsland, Scandinavië, Hongarije, Schotland, Engeland en Frankrijk komen studeren in Leiden, Franeker en Groningen.

Wat Spinoza gedaan heeft tussen 1656 en 1661 is onbekend. Het is goed mogelijk dat hij op de Latijnse school van Franciscus van den Enden (1602-1674) op het Singel Latijn is gaan leren. Franciscus van den Enden was een veelzijdige man, hij schreef en regisseerde o.a. Latijnse toneelstukken waarin hij zijn leerlingen liet spelen en die opgevoerd werden in de Stadsschouwburg. Mogelijk heeft Spinoza in een van die stukken meegespeeld. Er zijn berichten dat hij bij het verlaten van de schouwburg met een mes zou zijn aangevallen, waarbij hij alleen een gat in zijn jas opliep. Officiële bevestiging van de gebeurtenis is nooit gevonden, maar hiervan bestaat wel een 17de eeuwse prent. Een van de andere verhalen die over Spinoza al vroeg de ronde deden en die niet bevestigd kunnen worden door bronnen hoort ook zijn verliefdheid op Clara van den Enden, de intelligente dochter van Franciscus die ook in de school hielp. Zij zou later met een ander leerling trouwen. We weten ook niet wanneer hij Amsterdam verlaten heeft, maar in 1661 woont hij in Rijnsburg. Het huis waar hij woonde bestaat nog en is nu ingericht als museum. Het vermoeden bestaat dat hij naar Rijnsburg is verhuisd om in Leiden colleges te volgen, waar ook zijn latere vrienden Lodewijk Meyer en Adriaen Koerbagh studeerden. Ondertussen heeft Spinoza geleerd lenzen te slijpen, wat in de zeventiende eeuw een speerpunt-technologie was. Spinoza stond internationaal bekend om de hoge kwaliteit van zijn lenzen en hij had contact met de belangrijkste Nederlandse wetenschapper van die tijd, Christiaan Huygens. Het lenzenslijpen verschafte hem zijn hele leven een deel van zijn inkomsten.

Rond 1660-1661 schrijft hij de Korte verhandeling van God, de mens en zijn welstand (KV), die pas halverwege de 19de eeuw teruggevonden wordt, maar waarin al veel ideeën voorkomen, die hij later uitwerkt, in de Ethica. Het manuscript (een handgeschreven versie) van de KV circuleert bij Spinoza's vrienden in Amsterdam, die de tekst bespreken en van commentaar voorzien terugsturen naar Spinoza. Aangenomen mag worden dat Spinoza, nog voordat hij ook maar een letter gepubliceerd had, al bekend was in Europese wetenschappelijke kringen, als kenner van de filosofie van Descartes. Al in 1661 krijgt hij bezoek van Henry Oldenburg, die secretaris van de prestigieuze Royal Society in Engeland zal worden en waarmee hij langdurig zal corresponderen. Via Oldenburg discussieert Spinoza o.a. met de empiricus en mede-oprichter van The Royal Society, Boyle. Ze worden het niet eens, Spinoza bekritiseert Boyle, omdat al het empirisch onderzoek geen zin heeft, zolang er geen algemene theorie aan ten grondslag ligt.

In het voorjaar van 1663 verhuist Spinoza naar Voorburg en in dat jaar verschijnt het enige boek dat hij onder zijn eigen naam zal uitgeven, zijn standaardwerk over de filosofie van Descartes, de Principia philosophiae Renati des Cartes (PPC), waarin hij deze uitlegt en aanvult, maar zijn eigen ideeën nog achterhoudt. Het gevolg van de verschijning van dit boek is dat Spinoza op slag bekend is in alle religieuze en wetenschappelijke kringen van Europa. 

In 1666 verschijnt in Amsterdam anoniem een revolutionair boek, de Philosophia sacrae scripturae interpres, en een jaar later in het Nederlands De wijsbegeerte de uitlegster van de Heilige Schrift. Het boek veroorzaakt grote opschudding en wordt het onderwerp van verhitte discussies in religieus en intellectueel Europa. Het boek wordt lange tijd gezien als de grootste aanval op de bijbel en wordt overal verboden. In die tijd wist men niet dat de schrijver Lodewijk Meyer was, een prominent lid van de kring rond Van den Enden en Spinoza. Later wordt Meyer directeur van de Stadsschouwburg in Amsterdam. Dit boek wordt vaak samen met Spinoza's Theologisch-politiek traktaat (TPT) in een band gebonden en uitgegeven, huldigt Spinoza een andere opvatting van de godsdienst, waarin filosofische en wetenschappelijke kennis juist scherp onderscheiden zijn van godsdienstige opvattingen. 

Kenmerkend voor Spinoza's filosofie is  dat vrijheid van filosoferen, of meer algemeen van denken, aan de grondslag moet liggen van een leefbare samenleving. Mede door het lot van zijn vriend Adriaen Koerbagh, die in 1669 stierf in het rasphuis, besluit hij het werk aan de Ethica te onderbreken en een principiële filosofische verdediging van tolerantie en democratie. Het bewijs van de waarde en de mogelijkheid van beide vormt de stad Amsterdam, die haar welvaart en voorspoed hieraan te danken heeft. Het Theologisch-politiek traktaat verschijnt in 1670 in het Latijn, anoniem met een gefingeerd uitgeversadres. Het is het enige boek, met zijn eigen opvattingen, dat hij tijdens zijn leven zal publiceren. Dit boek bevat een wetenschappelijke, analyse van de bijbel en geeft een naturalistische verklaring van het onstaan van godsdiensen. Het handelt over de vraag waar religieuze autoriteit op berust, namelijk op het vermogen mensen aan te sporen tot rechtvaardigheid en naastenliefde. Dit is het wezen van elke religie; alles wat hiermee strijdig is, is bijgeloof, dat mensen onvrij maakt en de samenleving vernietigt. Het TPT is daarmee een uiterst krachtige verdediging van de vrije samenleving. Het boek was zeer schokkend, omdat het goddelijke basis van de bijbel verwierp en het christendom niet als enige ware religie zag, en het veroorzaakte een ware stortvloed van kritiek in heel Europa. 

Een vroege biograaf beweert dat Spinoza 'wiskundelessen' gaf aan raadspensionaris Johan de Witt en het is duidelijk dat zijn boek ideologische steun biedt aan de partij van de 'staatsgezinden, die de invloed van de Oranjes zo veel mogelijk wilden beperken. Dat De Witt Spinoza consulteerde over staatszaken, is niet heel waarschijnlijk. Wel zullen ze, uit voorzorg, nooit per brief het elkaar gecommuniceerd hebben, wat in het kleine Den Haag ook niet nodig was. Tussen 1670 en 1672 voert De Witt herhaaldelijk overleg met de gereformeerde synodes over o.a. het TPT. In 1674 verbieden de Staten van Holland de TPT. Het boek wordt overal in Europa verboden, met averechts effect, want iedere zichzelf serieus nemende theoloog, wetenschapper of politicus wil weten wat er in staat en overal verschijnen furieuze afwijzingen. In Duitsland kan Leibniz het boek gewoon bij zijn vaste boekhandelaar in Frankfurt kopen en niet lang daarna verschijnt zelfs een tweede editie.

In 1672 valt Lodewijk XIV de Verenigde Provinciën binnen. Johan de Witt wordt verantwoordelijk gehouden voor de Franse successen omdat hij het landleger verwaarloosd zou hebben. De Witt verliest volledig grip op de situatie. Dan vindt een aanslag op hem plaats waarbij hij zwaar gewond raakt. Hij treedt terug als Raadspensionaris, maar bij het Binnenhof in Den Haag wordt hij samen met zijn broer door een fanatieke meute van gereformeerde orangisten op barbaarse wijze gelyncht. De lijken van de De Witts worden in stukken gesneden, in delen verkocht, boven vuurtjes geroosterd en opgegeten. Volgens Leibniz was Spinoza zo geschokt door de gebeurtenissen, dat hij een plakkaat schreef met de woorden 'Ultimi Barbarorum' ('Jullie zijn de ergste barbaren') en naar de plek van het onheil wilde gaan om het plakkaat op te hangen. Zijn huisbaas deed de op slot om hem dat te beletten. De stemming in de Republiek slaat om ten gunste van de prinsgezinden en Willem III komt aan de macht als stadhouder. Gezien de dramatische ontwikkelingen begint Spinoza zich zorgen te maken en als hij hoort dat er een Nederlandse vertaling van het TPT in de maak is, voorkomt hij de uitgave daarvan.

In 1673 krijgt hij een aanbieding van de keurvorst Karl Ludwig van Rijnpalts voor een leerstoel aan de universiteit van Heidelberg. Spinoza bedankt echter voor de eer, omdat hij bang is voor beperkingen.
Spinoza is, naar bekend is, nooit buiten Nederland geweest en ook hier reisde hij bijna alleen, met de trekschuit, tussen zijn woonplaatsen en Amsterdam. Eén bijzondere reis is bekend geworden, naar het door de Fransen bezette Utrecht in 1673. Hij zou een afspraak gehad hebben met de (libertijnse) Franse militaire leider, maar het is onbekend met welk doel en of hij de reis in opdracht, bijvoorbeeld als diplomaat, maakte. Spinoza verklaarde later, als verweer tegen suggesties van spionage, dat de 'hoge heren' op de hoogte waren van zijn reis.
Franse edelen, religieuze en intellectuele dissidenten die vervolging door Lodewijk XIV willen ontwijken en soortgelijke Engelsen en Schotten, zoeken hun toevlucht in Nederland. Zo komen verbindingen tot stand tussen politieke onvrede met autoritaire systemen en de uiterst revolutionaire kracht van de kring rond Spinoza in Nederland.

Franciscus van den Enden komt in Amsterdam steeds meer onder druk te staan en vertrekt in 1671 naar Parijs. Met de Franse edelen die hij uit Amsterdam kende, zet hij een heuse samenzwering op tegen Lodewijk XIV. Het complot wordt verraden. De complotteurs worden gearresteerd en voor de Bastille terechtgesteld.
Ook de gewelddadige dood van Van den Enden, zijn vriend en leermeester, moet voor Spinoza een enorme klap zijn geweest, die hem zonodig nog voorzichtiger maakte.
Het is heel vreemd dat in de Opera Posthuma niets is terug te vinden, dat naar Koerbagh, De Witt of Van den Enden verwijst. Het kan niet anders of Spinoza heeft, of de Amsterdamse redacteurs van de OP hebben later, alle verwijzingen naar hen vernietigd, om elke associatie met 'veroordeelde misdadigers' te voorkomen.

In 1674 wordt het TPT officieel in Nederland verboden. Niettemin is het einde van de Derde Engelse Oorlog, in datzelfde jaar, de aanleiding voor Spinoza en zijn uitgever Rieuwertz om Engeland te veroveren met het Latijnse TPT. Hun nieuwe strategie is de boeken te voorzien van een volledig ander titelblad. Engeland is gechoqueerd en het TPT wordt, evenals in Nederland, formeel verboden. Vele vooraanstaande wetenschappers voelen zich verplicht om verontwaardigde afwijzingen te schrijven, waaronder Boyle, Jenkes, bisschop Stellingfleets, Henry More, Cudworth en zelfs Spinoza's correspondent Oldenburg.
Al snel wordt bekend dat Spinoza de schrijver is en tegen het midden van de jaren zeventig staat Spinoza feitelijk aan het hoofd van een succesvolle ondergrondse, radicale, filosofische beweging van Europese schaal. Zijn boeken worden overal verboden, maar toch vindt geen enkele filosoof in die tijd zoveel weerklank in Europa, zowel positief als negatief. Iedere zichzelf respecterende wetenschapper wil zo snel mogelijk alles van Spinoza lezen. In Frankrijk komt het schokeffect later, pas na de vrede met de Nederlanden in 1678.

Albert Burgh, een vroegere vriend en aanhanger van Spinoza, maar inmiddels tot ieders verrassing in Italië tot het katholicisme bekeerd, schrijft in 1675 vanuit Florence, naar aanleiding van het TPT, een felle hekelbrief aan Spinoza. Deze reageert laconiek en schrijft o.a. dat hij toegeeft dat de katholieke kerk qua pracht en praal, macht en gewin buitengewoon goed georganiseerd is. Hij zou bijna denken dat het de beste kerk is om mensen te bedriegen en hun geesten te dwingen, als ze niet royaal voorbijgestreefd werd door de 'Mohammedaanse kerk', niet alleen wat betreft omvang en greep op de gelovigen, maar ook door haar eenheid. De briefwisseling zal in 1677 in de Opera Posthuma gepubliceerd worden en is dan aanleiding tot grote verontwaardiging bij katholieken in Utrecht, Cambridge, Hannover, Venetië, Florence, Rome en Napels.

Eind juli 1675 reist Spinoza naar Amsterdam om zijn 'magnum opus', de Ethica, uit te geven. Twee weken later in augustus is de opening van de grote Portugese synagoge aan het huidige Meester Visserplein. Het is heel goed mogelijk dat Spinoza en enkele van zijn vrienden, uit nieuwsgierigheid, van een afstand toegekeken hebben. Ondertussen is het de gereformeerde kerkenraad ter ore gekomen dat er een boek gedrukt wordt waarin het bestaan van God ontkend wordt. Ze klagen hierover bij de burgemeesters en als Spinoza dit hoort besluit hij de uitgave van de Ethica uit te stellen om te zien hoe de situatie zich verder ontwikkelt.

In 1675 wordt in Italië de reactie op het TPT van het Vaticaan gepubliceerd, waarin Spinoza wordt aangeduid als 'iemand' die gelooft dat iedereen vrij is om te denken wat hij wil in geloofszaken. Om dit kwaad te bestrijden worden onverwachte allianties gesloten. De katholieke Inquisitie en de gereformeerde kerkenraad in Den Haag werken samen om informatie over het gedrag en het werk van Spinoza te verzamelen.

Tussen 1672-1676 woont de Duitse filosoof Leibniz (1646-1716) in Parijs, waar hij Franciscus van den Enden en Huygens ontmoet, die hem op de hoogte brengen van Spinoza en zijn kring, 'een ondergrondse, clandestiene, filosofische beweging die in de Verenigde Provinciën wortel heeft geschoten'. In 1676 reist hij naar Nederland en via leden van de Spinozakring regelt hij een afspraak met Spinoza in zijn huis in Den Haag. Ze voeren lange gesprekken en later schrijft Leibniz dat hij zich in deze tijd inderdaad aangetrokken begon te voelen tot de spinozistische opvattingen. Naar Spinoza toe is Leibniz vol lof over het TPT, maar tegen anderen veroordeelt hij het boek heftig, zonder bekend te maken dat hij contact heeft met de boosdoener zelf.
Vóór 1680 is Leibniz een onafhankelijke erudiet, maar daarna verandert hij van strategie en ontwikkelt hij zijn eigen stelsel. Hij gaat nu strijdbaar weerstand bieden tegen rivaliserende filosofieën zoals die van Spinoza. Hij zoekt naar een effectief verbond tussen kerk en filosofie door, in tegenstelling tot Spinoza's opvattingen, bewijzen te leveren voor het bestaan van een god die alles direct bestuurt en hij probeert het concept van hel en eeuwige verdoemenis in stand te houden. Leibniz wordt gezien als de architect van de hoofdstroom van de 'Gematigde Verlichting'. In de praktijk blijken vertegenwoordigers van de Gematigde Verlichting echter, zoals eerder de cartesianen, vaak even grote tegenstanders van Spinoza's Verlichting te zijn als de orthodoxe christenen. Ze moeten zich van zijn radicale filosofie distantiëren, om acceptabel te blijven en in aanmerking te komen en te blijven voor eervolle en lucratieve posities.

Spinoza heeft al jaren een longaandoening, waarschijnlijk mede door het stof van het lenzen slijpen, en op 21 februari 1677 sterft hij toch nog vrij plotseling aan tuberculose in zijn huis in Den Haag, in aanwezigheid van één van zijn Amsterdamse vrienden, die arts is. Zijn huisbaas, de kunstenaar Hendrik van der Spyk, stuurt op instructie van Spinoza, in het geheim zijn manuscripten in een kist per trekschuit meteen naar Amsterdam. Daar verbergen zijn vrienden en medestanders de teksten en ze maken plannen voor het beheer en het tot ontwikkeling brengen van zijn filosofische erfenis. Op 25 februari 1677 wordt Spinoza, ondanks zijn reputatie, met een grote plechtigheid begraven in de Nieuwe Kerk in Den Haag, wat er op moet wijzen dat hij daar invloedrijke vrienden had.

De 'redacteuren' beginnen direct met het kopiëren van manuscripten. Het team van redacteuren bestaat waarschijnlijk uit Rieuwertz, Jelles, Meyer, Glazemaker, Bouwmeester, Schuller en Van Gent. Bij de redactie worden teksten en brieven achtergehouden of vernietigd die verband houden met veroordeelde spinozisten of met nog levende prominenten of die anderszins schadelijk zouden kunnen zijn voor de nagedachtenis van Spinoza.

In Italië brengen de hoog in de katholieke hiërarchie gestegen, vroegere aanhangers van Spinoza, Steno en Burgh, de Italiaanse Inquisitie op de hoogte van een groot dreigend gevaar voor de kerk, de publicatie van de Opera Posthuma. Na een bijeenkomst met de neef van de Paus, kardinaal Barberini schrijft deze een brief aan de Nederlandse katholieke kerk. Alles over Spinoza moet uitgezocht worden en alle manuscripten en publicaties moeten naar het Vaticaan gestuurd worden. Na ontvangst van de brief op 18 december 1677 wordt in Nederland een gemengd onderzoeksteam samengesteld met vertegenwoordigers van de katholieke, gereformeerde en joodse religie. Weer werken gereformeerde predikanten en joodse rabbijnen dus samen met hun aartsvijand, de paapse Inquisitie - het doel heiligde blijkbaar alle middelen. Al op 25 december 1677 stuurt de Nederlandse katholieke kerk een antwoord aan het Vaticaan, de ondervraagde vrienden van Spinoza hadden alles ontkend en niet bewezen kon worden dat er nog manuscripten in de nalatenschap van Spinoza zaten. Het onderzoek leverde dus niets op, de vrienden hadden hun mond gehouden.

Zo kan uitgever Rieuwertz in Amsterdam in het voorjaar van 1678 de distributie van de Opera Posthuma starten, in het Latijn en in het Nederlands. Het grootste en belangrijkste onderdeel van de OP is de Ethica, waarin Spinoza zijn filosofie m.b.t. God, de mens, de emoties en het belang van de rede verder uitwerkt. God is de eeuwige oneindigheid, die voor ons alleen te kennen is door de kennis van de natuur. Elk levend wezen streeft zelfhandhaving na en 'goed' en 'kwaad' zijn in feite gelijk aan 'voordelig' en 'nadelig' voor dit streven tot zelfhandhaving. Om het geluk te bereiken moeten we onszelf als onderdeel van het geheel van de natuur zien. Onderdeel daarvan is dat we onderworpen zijn aan een oneindig gevarieerd driftleven. Vrijheid en geluk zijn slechts te bereiken, niet door deze driften, harstochten of emoties te ontkennen en ze als irrationeel te verwerpen, maar door te proberen ze verstandelijk te begrijpen en door vervolgens rationeel te handelen. Met de ontwikkeling van het verstand groeit de liefde voor de mens, de natuur en voor God (= de natuur). De kennis van de hoogste soort toont ons intuïtief de dingen in detail, dus zoals ze werkelijk zijn, in hun verbondenheid met de eeuwige oneindigheid. De menselijke geest gaat niet geheel ten gronde met het lichaam, maar er blijft iets over, niet in een 'hiernamaals', maar in de eeuwigheid van deze wereld. De troost die dit besef van eeuwigheid kan brengen, is van een geheel andere orde dan de hoop op beloning in een leven na de dood. De mens moet niet wandaden vermijden uit angst voor straf of uit hoop op beloning. Het geluk ligt niet de beloning voor de deugd, maar in de deugd zelf. Vrije mensen weten dat hun eigenbelang het meest gediend is met een deugdzaam leven en met een harmonieuze omgang met anderen.

Omdat deze analyse het hele bestaande religieuze, politieke bouwwerk onderuit haalde is het niet verwonderlijk dat er na het uitkomen van de OP een golf van verontwaardiging door Nederland en Europa ging. Zijn protestantse en katholieke tegenstanders hadden nu het bewijs in handen, Spinoza is de bron van alle kwaad. In Nederland worden passages voorgelezen in kerkenraden en voor burgemeesters, het boek wordt overal in Europa fel veroordeeld, verboden en in beslag genomen.

Spinoza's filosofie zou desondanks een doorslaggevende bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de Verlichting en een grote invloed uitoefenen op denkers als Kant, Hegel, Nietsche, Marx, Freud en Einstein. Spinoza is een van de zeer weinige 17de of 18de eeuwse filosofen die nog steeds gelezen worden, en die steeds opnieuw wetenschappers en kunstenaars beïnvloeden. Hij heeft ook voor de moderne mens uiterst relevante levenslessen te bieden, die kunnen bijdragen aan individueel geluk en een aangename samenleving.


'Die mens die zich niet door zijn hartstochten laat leiden, maar door de rede, is een vrij mens.'

 

 

Submit to FacebookSubmit to Google PlusSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn