Theologisch-politiek traktaat (TPT, 1670)
Spinoza publiceerde het Theologisch-politiek traktaat kort na de dood in gevangenschap van zijn vriend Koerbagh, in een periode dat de tolerante republikeinse raadspensionaris steeds meer onder druk kwam te staan van orangisten en gereformeerden. Met het boek wilde hij een politiek doel bereiken, wat het een heel eigen karakter geeft, maar het is absoluut geen gedateerde tekst. Het TPT is een bijzonder bevlogen wetenschappelijke en filosofische tekst. Het is het enige boek, met zijn eigen ideeën, dat Spinoza tijdens zijn leven (anoniem) publiceert. Het is een revolutionair boek dat in heel Europa tot geschokte reacties leidt. Om dit boek te kunnen afmaken, onderbreekt Spinoza een tijd lang het werk aan zijn Ethica. Met het TPT bepleit hij de scheiding van theologie en filosofie of de vrijheid om te filosoferen. In het TPT wordt aangetoond dat er vrijheid van filosoferen (denken, spreken, schrijven) kan zijn met behoud van de vrijheid van religie en van vrede. Als die vrijheid wordt opgeheven is de vrede in gevaar en komt er een einde aan religieuze vrijheid. Het gaat Spinoza om het recht op het vrije gebruik van de rede, zonder inmenging van de theologen. Het TPT wil bewijzen dat die vrijheid juist een voorwaarde is voor een vreedzame en deugdzame samenleving.
Omdat de theologen zich beroepen op de bijbel, onderwerpt Spinoza de bijbel aan een grondige analyse. Daarmee is hij één van de grondleggers van het moderne, historisch-kritische bijbelonderzoek. De bijbelboeken zijn voor hem door de tijd heen gegroeide teksten, gemaakt door mensen, ontstaan en overgeleverd in specifieke omstandigheden. Hij onderzoekt de profetie, de uitverkiezing van de Joden en wonderen. Aan de hand van vele voorbeelden toont Spinoza aan dat het Oude Testament is aangepast aan het bevattingsvermogen van het volk en dat dit geen bron van filosofische of wetenschappelijke kennis wil of kan zijn. Spinoza vindt dat de inhoud van de verschillende bijbelboeken gezien moet worden in de historische context van deze teksten. Daarnaast is het besluit om bepaalde teksten wel op te nemen en andere niet, mensenwerk. Zoals alle boeken bevat de bijbel ook fouten. Wie de bijbel in zijn letterlijke gedaante als het directe woord van God beschouwt, maakt de godsdienst tot bijgeloof.
Wat in de ogen van Spinoza de bijbel tot 'het woord Gods' maakt, is dat de leer van bijbel in de kern neerkomt op het gebod 'God lief te hebben boven alles en de naaste als zichzelf'. Dat is volgens Spinoza de grondslag van de hele godsdienst. Dat komt overeen met de voorschriften van de rede. De bijbel verlangt echter geen rationele inzichten, maar enkel gehoorzaamheid.
Spinoza stelt een taakverdeling voor tussen filosofie en godsdienst. Ze moeten elkaar volkomen vrij laten, de filosoof mag niet aan de theologische leer tornen en de predikanten mogen de filosofen niet de wet voorschrijven. Omdat je mensen niet met dwang kunt overtuigingen, is het beter iedereen te laten geloven en denken wat hij wil.
Alle macht, ook die in godsdienstzaken, ligt bij de hoogste overheid, de staat. De godsdienstige regels krijgen pas kracht van wet door een beslissing van de staatsmacht en de uitoefening van religieuze vroomheid moeten zich voegen naar het belang van het staat. Het TPT sluit af met een gloedvol betoog, dat in een vrij staatsbestel het een ieder is toegestaan te denken wat hij wil en te zeggen wat hij denkt.

